Heb niets in je handen, noch | Een herinnering in de ziel,
Dan zal, wanneer de laatste obool | Men je in de handen legt,
En men je handen openvouwt, | Niets je ontvallen.
Welke troon wil men je geven | Die Atropos je niet ontneemt?
Welke lauweren die niet welken | Onder Minos’ oordeel?
Welke uren die ook jou niet | Maken tot de schaduw
Die je zijn zult als je gaat | De nacht in en naar ’t einde van de weg.
Pluk de bloemen maar laat ze | Los eer je ze hebt bezien.
Ga zitten in de zon. | Doe afstand | En wees koning van jezelf.