VALLEN

Weet je wat, dacht de olifant, als ik hier beneden nu eens een briefje leg zodat ik van bovenaf kan lezen. Dan kan mij niets gebeuren. Hij wreef in zijn voorpoten, schreef met grote letters:

JE MAG NIET VALLEN

legde het briefje onder de kastanjeboom en klom naar boven. Maar toen hij halverwege was, verscholen tussen de bladeren, liep de krekel onder de kastanjeboom door. Hij las de brief.
Ach … dacht hij, eindelijk…! Hij was al heel lang op zoek naar het woord NIET. Nergens had hij al, en Niemand en Nooit en Niets. Maar Niet nog niet.
Hij wreef zijn voelsprieten over elkaar, keek om zich heen, zag niemand en scheurde het woord Niet uit het briefje.

Hij wilde niets liever dan dat woord op zijn voordeur hangen, voor zijn naam. NIET DE KREKEL zou er staan. Binnen zou hij luidkeels tsjirpen en door een kier in zijn muur naar buiten kijken naar de voorbijgangers. ‘ Niet de krekel?’ zouden ze zeggen. ‘ Niet de krekel??’ Maar wie tsjirpt er dan?’ Hij zou niets zeggen en niet opendoen, en alleen maar nog luider tsjirpen. Verbouwereerd zouden ze zijn. Verbouwereerd, daar hield de krekel van. Rimpels in voorhoofden, aarzelingen en verbouwereerdheid.
Vrolijk vloog hij naar zijn huis, met het woord Niet onder een vleugel.

Toen de Olifant tenslotte zwoegend en hijgend, na lang klimmen, in de top van de kastanjeboom was aangekomen en bijna viel, herinnerde hij zich zijn briefje. O ja, dacht hij, dat is maar goed ook… Hij keek naar beneden en las.
‘Wat?’ riep hij verbaasd. Hij las de woorden drie keer over. ‘Maar het mag toch niet…?’ zei hij toen.
Hij wankelde.Het mag dus, dacht hij gelaten. Met enorm geraas viel hij uit de top van de kastanjeboom naar beneden.
De eekhoorn vond hem even later, met naast hem zijn brief. Voorzichtig legde hij de gekneusde slurf recht. De olifant sloeg zijn ogen op en kreunde: ‘Nu begrijp ik nooit meer iets eekhoorn’.
‘Nee,’ zei de eekhoorn en hij ging in het gras naast de olifant zitten.

Uit: Misschien wisten zij alles -
313 verhalen over de eekhoorn en de andere dieren.
Toon Tellegen
ISBN 90 214 8438 2
p. 475/476

OPSTAAN